Jacob Klapwijk: Heeft de evolutie een doel? Over schepping en emergente evolutie

Uitg. Kok, Kampen 2009, ISBN 978 90 435 1656 3, 314 blzz.

Henk Hogeboom van Buggenum


Jacob Klapwijk (75) hield zich als hoogleraar filosofie aan de VU te Amsterdam vooral bezig met cultuur, cultuurgeschiedenis en historische ontwikkelingen. Na zijn emeritaat verdiepte hij zijn in 1963 al begonnen studie van de theorieën van Darwin en andere evolutiedenkers en zette hij zich aan een boek over de zoektocht naar zin. Veel evolutionisten zeggen namelijk dat alles toevallig en zinloos is. Maar wat is evolutie eigenlijk? Heeft die misschien ook een bepaalde gerichtheid op de mens? Vandaar de titel van zijn boek: Heeft de evolutie een doel? Met een Canadese vriend, de biologiehistoricus Harry Cook, wisselde hij daarover uitvoerig van gedachten. Maar het eigenlijke raamwerk ontleende hij aan de kerkvader Augustinus, aan Britse emergentiedenkers en de traditie van de reformatorische wijsbegeerte. In december 2008 verscheen zijn boek bij Cambridge University Press onder de titel Purpose in the Living World?- Creation and Emergent Evolution.

Onzes inziens heel terecht schrijft Klapwijk (p.17): "Denk niet, dat de vraag naar zingeving een exclusief christelijke interesse is.[...]. Stel, de mens is niet meer dan een toevallig product van de natuur, dan ook de menselijke geest, dan ook alles wat die geest heeft uitgebroed, darwinistische ideeën evenzeer als creationistische tegenconcepten. Een theorie is, zo gezien, niet meer dan een afscheidingsproduct van de hersenen, een hulpmiddel van Homo sapiens tot zelfhandhaving, zoals een bek, een klauw of indrukwekkend borstgeroffel in andere schepsels.[...] Ze zou in laatste instantie weinig of niets van doen hebben met waarheid en alles met machtsvertoon of imponeergedrag."

Met dit voor ogen komt Klapwijk tot een goed gefundeerde kritiek zowel op het ontologisch naturalisme, dat de materie als fundament van al het zijnde verabsoluteert, als op het creationisme met zijn verabsoluterende uitleg van het Genesisverhaal in de Bijbel. Hij pleit voor een methodisch naturalisme, dat uitgaat van de ervaring die de natuur feitelijk verschaft. Telkens als de wetenschap voorgeeft de waarheid omtrent de zin van evolutie in pacht te hebben of te kunnen onthullen, is er sprake van sciëntisme (pseudowetenschap). Zo is het evolutionisme de opvatting van evolutie, die pretendeert de definitieve oplossing te zijn van het levensraadsel; het is in feite 'evolutionair naturalisme', een 'naturalistische ideologie', een geloofssysteem verpakt als wetenschap. (p.53) Als voorbeelden ervan noemt Klapwijk Richard Dawkins, Paul Churchland (p.57), Stephen Jay Gould, Jaques Monod (p.72), Michael Ruse en G.G. Simpson. (p.74) Met instemming citeert Klapwijk dan ook de Britse geneticus J.B.S. Haldane: "Ik ben niet zelf een materialist, omdat, als het materialisme waar is...we niet kunnen weten dat het waar is. Indien mijn meningen het resultaat zijn van chemische processen die zich afspelen in mijn brein, dan worden ze bepaald door de wetten van de chemie, niet door die van de logica." Klapwijk sluit zich daarbij aan: "Nooit... kan iemand beweren dat mentale processen identiek zijn met of volstrekt herleidbaar zijn tot materiële processen zonder zich te verstrikken in een logische contradictie...een performatieve zelftegenspraak." (p.75)

Kortom: ontologisch naturalisme? Nee! Methodologisch naturalisme? Ja! Uitgaande van de feiten, zoals deze vanuit de natuur door de mens kunnen worden waargenomen en ervaren komt Klapwijk tot zijn theorie van emergente evolutie. Kort gezegd komt deze neer op de opvatting, dat er op aarde "een veelvormige natuur [is] ontstaan met een scala van ordeningsprincipes en organisatieniveaus. Het fysische niveau is grondleggend; het is zo wijd als het kosmisch universum. Het omvat niet alleen energievelden en minerale stoffen, het is ook de materiële bestaansbodem van alle levende organismen. Op deze basis verheft zich het biotische niveau. De biotische zijnswijze manifesteert zich in heel de levende natuur. Want cellulaire organisatie, stofwisseling en reproductie zijn kenmerkend...Het vegetatieve niveau ligt een trap hoger. Het is karakteristiek voor het plantenrijk, maar ontbreekt niet in het dierenrijk. Immers, morfogenetische specificatie en fysiologische differentiatie tref je niet alleen aan in het plantenlichaam maar ook in het dierlijke lichaam. Tot slot is in de natuur het sensitieve niveau het hoogste. Je komt het uitsluitend tegen in het dierenleven, want alleen in dieren is innerlijk leven, in de zin van sensorische ervaringen en instinctieve gevoelens, tot ontwikkeling gekomen." (p.115). Let wel: "de werkelijke verschillen in niveaus van complexiteit zijn niet kwantitatief maar kwalitatief van aard." (p.117)

Voor een goed verstaan: "Het zou mallotig zijn te menen dat het proces van emergente evolutie noviteiten heeft voortgebracht in de zin van volstrekt nieuwe dingen of entiteiten. Wat tot aanzijn kwam, waren additionele arrangementen. Reeds voorhanden entiteiten ondergingen een zodanige herprogrammering - ik spreek uiteraard in metaforen - dat nieuwe functies ontstonden [...] De biotische functie ontstond toen moleculaire aggregaten zich herschikten tot zelfregulerende monocellulaire micro-organismen [ ...] Ze ondergingen modi-ficatie op zo'n manier dat nieuwe modale functies zich realiseerden op basis van de oude [...] De natuurkundige methode kan alle concrete verschijnselen verklaren, levensverschijnselen incluis. De vraag is telkens: kan ze deze verschijnselen volledig verklaren? Gaan levende wezens helemaal op in het fysisch-chemische domein? Dit dient betwijfeld te worden. Immers, naast fysici en chemici melden zich microbiologen, botanisten, zoölogen en menswetenschappers, allemaal aandacht vragend voor bovenfysische betekenissen die levende systemen aankleven. Die betekenissen komen niet tot hun recht in natuurkundig onderzoek." (p.119-121)

Zo "laat het muzikale betekenisveld het fysische betekenisveld onverlet, maar overstijgt het tegelijk. Hoe? Door het ondergeschikt te maken aan esthetische wetten en spelregels. Emergentie heeft van doen met dit verschijnsel van zelfoverstijging of - zoals G.L. Stebbins zegt - van 'transcendental novelty'1.

Je zou zo zeggen, dat Klapwijk met zijn emergente evolutietheorie geheel op de lijn zit van Teilhard de Chardin en Alfred North Whitehead. Niets blijkt echter minder waar. Zowel Whiteheads procesfilosofie als de evolutietheorie van Teilhard de Chardin en de systeemfilosofie van Ervin Laszlo rekent hij tot het emergentisme, een -isme dus, dat zoals het sciëntisme en het evolutionisme eerder ideologisch dan wetenschappelijk genoemd kan worden. Volgens hem "bevatten hun argumenten een alles-in-God-theorie, vaak aangeduid als panentheïsme, een opvatting die het midden houdt tussen theïsme en pantheïsme". (p. 275) Op de laatste bladzijde van het boek zegt hij het nogmaals heel duidelijk: "Het wordt tijd om afstand te nemen van al die eminente geleerden, die denken dat ze het levensraadsel hebben opgelost met de naturalistische conclusie dat mens en wereld lukrake uitkomsten zijn van blinde natuurkrachten. Laten we ook afstand nemen van de tegenovergestelde mening, de visionaire opvatting van die geleerden, die menen in de mens de kiem te hebben ontdekt van een gestaag groeiend goddelijk bewustzijn". (p. 280)

Indien Klapwijk Teilhard goed had begrepen, zou hij echter toenadering hebben gezocht. Hij schrijft: "In het raamwerk van [het] 'panpsychisme' brengt Teilhard ook God ter sprake. Hij ziet hem als de verlenging en vervulling van voorgaande synthesen".(p.272) M.a.w.: Voor Teilhard is God synoniem met het proces van evolutie en niet daaraan transcendent. Een regelrechte misvatting! Het bewustzijn, dat zich vanaf de big bang in de diverse zijnsniveaus op een andere wijze manifesteert - ge-modi-ficeerd dus - heeft volgens Teilhard de vrijheid verworven in het zelfbewustzijn van de mens al dan niet te convergeren naar het punt-Omega. Hier pas heeft het deel aan het goddelijk bewustzijn. In het werk L'apparition de l'homme lezen we dan ook: "J'ai donné conventionellement le nom de 'Point Oméga' au pôle supérieur, conjecturé de la co-réflexion humaine". Wat door God werd geschapen is in de visie van Teilhard voor het bewustzijn toegankelijk door 'inspanning', d.w.z. 'verdieping' in en bevordering van de ander in zijn evolutie. De richting die het niet-metafysische deel van Teilhards werk Le Phénomène humain (Het verschijnsel mens) dan ook in de evolutie laat zien is die van een toenemende samenwerking, verantwoordelijkheid en vrijheid. Het zou goed zijn als het reformatorisch denken zich in die geest ontwikkelt.

Noot:

1. G.L. Stebbins Darwin to DNA, Molecules to Humanity (San Francisco: Freeman, 1982), p.167