Kader Abdolah: Zeesla en de lepels van Alice, een reis door de geest van Nederlandse ondernemers en uitvinders,

Uitg. De Geus, 2012, ISBN 378 90445 20309, 315 blzz.


De van oorsprong Iraanse schrijver Kader Abdolah interviewt in dit boek zo'n twintig mensen, die bezig zijn met de verwezenlijking van hun droom. Het bijzondere daaraan is, dat hij ze door zijn manier van vragen allemaal van het technische of vakinhoudelijke gedeelte van hun inspanningen daarvoor weet af te leiden naar hun diepste drijfveren. Op deze wijze ontstaat vaak een verband met hun verleden, bijvoorbeeld hun opvoeding, afstamming of genen, en datgene wat hen raakt in het heden en wat weer hun motief is voor het streven naar een betere toekomst voor de wereld als geheel of voor een bepaald facet ervan. Zo maken we kennis met de persoon van prof. Wubbo Ockels, die zich inzet voor de ecologische toekomst van de aarde. Met Max Beaumont, die bij de ESA (European Space Agency) werkt aan een systeem om CO2 uit de lucht te vangen en in te brengen in de glastuinbouw. Met Ronald Osinga van de landbouwuniversiteit Wageningen die met een 'wierderij' (een zeeboerderij) werkt aan de oplossing van het wereldvoedselvraagstuk.

Het zijn zeker niet allemaal zonder meer succesverhalen, die Kader Abdollah laat zien. Niet altijd gaat het bij de inspanningen van de ondernemers en uitvinders van een leien dakje. Zo is er het verhaal van de student Friso Johan Gouwetor, die hoewel hijzelf geen Oosterse wortels heeft een moskee wil bouwen op Ground Zero van 85 meter hoog en een oppervlak van 23x32 meter. Dat het met hem soms niet goed gaat, wijt deze aan "het probleem van zijn generatie; we hebben niets ernstigs meegemaakt. Het lijkt soms alsof je niet met iets wezenlijks bezig bent." (p. 92) Ook de dierenarts Gijsbert van de Wijdeven zit het niet bepaald mee. Hoewel zijn uitvinding van bionaaldjes fantastisch is "zal de farmaceutische markt niet gauw …zwichten. Ze verdienen miljarden en nog eens miljarden aan de massaproductie van entstoffen en wegwerpnaalden". (p. 106)

Met Kader Abdolah komt de lezer op plaatsen waar deze zelf ook nooit eerder was. Door zijn subtiel waarnemingsvermogen krijgen wij bijvoorbeeld een mooi beeld van een ruimtevaartlaboratorium, waar een simulatieproject van Mars is gebouwd. Maar ook van de leefwereld van een vierdejaarsstudente aan de Design Academy te Eindhoven, de ontwerpster van lepels voor demente bejaarden. En niet te vergeten van die van een autistische nerd, die het klaarspeelde om na één minuut denkarbeid € 500.000 te verdienen met zijn idee voor de renovatie van verkeersbruggen in Nederland.

Zonder het natuurlijk zelf te weten voert Kader Abdolah ons binnen in een wereld, die wij kennen vanuit de evolutieleer van Teilhard de Chardin: er is sprake van noögenese. Dat wil zeggen, dat op allerlei gebieden de menselijke geest bezig is om oplossingen te zoeken voor alles wat de eenheid en ontwikkeling van onze samenleving in de weg staat of bedreigt. Neem nu het verhaal over Christian van 't Hof (1972). Als senioronderzoeker bij de afdeling Technology Assessment van het Rathenau-Instituut in Den Haag "onderzoekt hij hoe de virtuele en de fysieke wereld steeds hechter met elkaar verweven raken. Is straks alles geconcentreerd in het internet?" (p. 267) Met andere woorden: Is hier sprake van de groei van ons individuele bewustzijn via het bewustzijn van al die andere internetgebruikers, oftewel de hele wereldbevolking, naar een hecht samenwerkingsverband? Om elkaar te kunnen verstaan ontwerpt deze Christian dan ook nog eens een op tags gebaseerde universele taal en richtte hij daartoe de 'Stichting Tagology' op.

We mogen na het lezen van dit boek dan ook concluderen, dat wij ons, ieder voor zich met vallen en opstaan weliswaar er steeds meer van bewust zullen worden, dat de wereld in haar toenemende complexiteit een beroep op ons doet ons ego in dienst te stellen van allen, van het wereldbrein. Kader Abdolah weet vanuit zijn Perzische gevoel als het ware seismisch aan te geven waarin de gedrevenheid van de mens voor deze convergerende beweging haar oorsprong vindt: in de evolutie van het bewustzijn. Wij kunnen u dit boek van harte aanbevelen. HvB

Hamed Abdel-Samad: De ondergang van de islamitische wereld – Een prognose

Uitg. Contact, A'dam/Antwerpen 2011, ISBN 978902543657 5, 222 blzz., € 21,95


Het toeval wil, dat ik tijdens de bekendwording van de aanslagen door Anders Breivik in Oslo met dit boek bezig ben en op de laatste bladzijde de tekst lees: "De talrijke zonden van het Westen en de tekortkomingen van de islamitische wereld van de afgelopen eeuwen zullen elkaar opnieuw op asymmetrische wijze tegenkomen en in de ogen kijken. Als de islamitische wereld inderdaad ten onder zou gaan, zou ook de voorspelling van Oswald Spengler over de ondergang van het avondland bewaarheid kunnen worden. Dat is de keerzijde van de globalisering. Er staan ons aan weerszijden van de Middellandse Zee zware tijden te wachten, en onze tijd raakt op."

Even later kijk ik naar het filosofisch kwartet , waarin uitvoerig wordt gesproken over het vertrouwen van de burger in de rechtstaat en men tot de conclusie komt, dat dit staat of valt met de wijze waarop het individu zich geaccepteerd weet en zich in zijn uniciteit kan ontplooien. De panelleden zijn het erover eens, dat na het verdwijnen van de 'zuilen' wel een gemis moet worden geconstateerd aan een 'gemeenschappelijk' verhaal waarin alle burgers zich zouden kunnen herkennen en waarop de politiek zou kunnen inspelen. Dat dit 'verhaal' niet gezocht moet worden bij partijen als de PVV, die het beginsel van 'uitsluiting' in plaats van dat van 'inclusief denken' propageren, mag na Oslo duidelijk zijn.

De schrijver Hamed Abdel-Samad (geb. 1972 in Egypte) is de zoon van een imam, aan wie hij zijn boek opdraagt met de woorden: "Ik heb me van het geloof tot een weten bekeerd" (p. 05). Door de ervaringen met het onderwijs en de familieverbanden in Egypte en zijn studie politicologie en verblijf in Duitsland wijs geworden, is hij ervan overtuigd, dat het Westen een verkeerd beeld heeft van de islam. De islam is niet in opmars in Europa en Noord-Amerika. Integendeel. Zij is in het defensief. De moslims hebben door hun contact met het Westen een schuldgevoel ontwikkeld ten opzichte van hun eigen cultuur. Deze is na een aanvankelijke bloeiperiode verstard, niet meegegroeid met de moderne tijd. Het gemis aan eigenwaarde proberen de moslims te compenseren met het trots uitdragen van een geloof, dat in vele opzichten de lading niet meer dekt. Twee islamitische bewegingen zijn er volgens de schrijver in geslaagd hun radicale ideologieën overal in de Arabische wereld te verankeren: de Saoedische wahabieten en de Egyptische moslimbroederschap. Uit een bondgenootschap ervan ontstond in Afghanistan Al-Qaida. Zij transporteren gezamenlijk niet alleen de jihad via hun wereldwijd gesteunde scholen en satellietzenders, maar ook hun onverzoenlijk mens-, maatschappij en vrouwbeeld. Maar deze bewegingen omvatten niet de gehele islam. Abdel-Samad gaat ook uitvoerig in op het verschil tussen moslims in landen buiten Saoedie- Arabië, zoals Indonesië, en op dat tussen soennieten en sjiïeten, op denkers zoals Tariq Ramadan en Fethullah Gülen (p. 174) en schrijvers als Seyran Ates (p. 147) die naar modernisering streven.

Maar … zo schrijft hij (p. 185): Precies daarin zie ik het grootste probleem van de islamitische immigranten in Europa en Noord-Amerika. In plaats van de vrijheid te benutten om zich van het autoritaire denken en de machtsaanspraken te ontdoen en in Europa een nieuwe theologie op basis van het verstand te laten ontstaan, gebruiken ze democratische middelen om in de democratie te infiltreren. Zo strijden ze in Canada en in Groot Brittannië al jarenlang voor de invoering van de sharia. Ze importeren daarmee het verouderde denken van hun geboorteland, vriezen het in in het vriesvak van hun traditie en noemen het vervolgens 'identiteit'. De betekenis van religie wordt dan voor hen vaak groter dan in het land van herkomst. Immers, in den vreemde biedt deze hun een identiteitszekerheid, geborgenheid en troost. "Het enthousiasme voor een westerse levenswijze en de aantrekkingskracht van westerse consumptiegoederen leiden in combinatie met de religieus-ideologische indoctrinatie en het zich afkeren van de tijdgeest tot een explosieve mix, die het terrorisme vleugels geeft en die ik (Abdel-Samad) als de hoofdreden voor de ondergang van de islamitische wereld zie. […] Men mag niet vergeten, dat bij de ruim 14.000 door islamisten uitgevoerde terreuraanslagen van de afgelopen jaren de overgrote meerderheid van de slachtoffers uit moslims bestond" (p. 192/193). "Voor mij (Abdel-Samad) betekent een hervorming, dat de ketting die het starre systeem omspant, moet worden opengebroken. Deze ketting bestaat uit het vastgeroeste stambewustzijn, de religieuze gezagsgetrouwheid, de leugenachtige seksuele moraal en het ondoelmatige onderwijs, dat verouderde denkstructuren in stand houdt" (p. 198).

Omdat hij waarschijnlijk ook de verminderde aantrekkingskracht van het christendom door de leegloop van kerken in Duitsland heeft geconstateerd en geen weet heeft van moderne theologische stromingen gebaseerd op de procesfilosofe van Alfred North Whitehead en op de evolutieleer van Pierre Teilhard de Chardin, komt hij tot zijn uitspraak: "Daarom zie ik de verzoening van de islam met het atheïsme als laatste kans". Hij weet hieraan zelfs een natuurkundig tintje te geven (p. 200).

Zoals Abdel-Samad hoop put uit de invloed van Facebook op de jongeren in de Arabische landen en van een populaire blog op internet van de 'Vereniging van Arabische atheïsten', die de polarisatie in de Arabische landen aanwakkeren (p. 204), zo waag ik de hoop uit te spreken, dat uit de reacties op de aanslagen in Oslo het bewustzijn zal groeien, dat het 'uitsluiten' van groepen mensen op grond van welke beginselen ook, funest is voor hun zelfbeeld en daarmee onze eigen positie ondergraaft.

Het boek van Abdel-Samad geeft veel te denken, juist in deze tijd. Ik raad het u dan ook van harte aan. HvB

Deepak Chopra en Leonard Mlodinow: Botsende wereldbeelden, wetenschap versus spiritualiteit

Uitgeverij Servire, 2012, ISBN 978-90-215-5134-0, 350 blzz.


Uit de piano klinkt Mozart, af en toe Wagner. De wetenschapper gaat er met zijn microscoop op af en hij onderwerpt het ivoor van een toets aan een diepgaand onderzoek om te ontdekken waar die vermaledijde Mozart toch vandaan komt. Helaas… geen Wolfgang Amadeus te vinden. Ook het ebbenhout van zwarte toetsen wordt terdege onderzocht, want daarin zou Wagner zich misschien wel kunnen verstoppen. Niet dus. Hoe dan ook, het klinkt mooi!

Dat is in een notendop het zogenaamde 'conflict' tussen reductionistische wetenschap en holistische spiritualiteit. De wetenschapper Leonard houdt strak vol, dat Darwins materialistische en mechanistische doctrine van toeval en natuurlijke selectie alles verklaart. Elk verschijnsel, ook het psychische, is er met een boel duw- en wringwerk in te passen; alles achteraf beredeneerd naar de gewenste oplossing toe. De arts Deepak beschrijft de creatieve werking van de geest, die de evolutie aandrijft en richting geeft. En als we ons dan afvragen, wie gelijk heeft, dan springt mij zomaar het verhaal De twaalfde koning van Godfried Bomans in gedachten. Dat ging zo: De kroonprins ontdekt dat hij een hol hoofd heeft. De hofarts bevestigt dat en feliciteert hem ermee. "Maar…", roept de prins, "straks moet ik regeren en wat moet ik dan doen met mijn holle hoofd?" De arts glimlacht. "Hoor eerst de ene partij en stuur hem weg. Hoor daarna de andere partij en stuur hem weg. Dat is alles." "Maar…," vraagt de prins, "welke partij heeft dan gelijk?" De hofarts luistert of er niemand is, die hem kan horen en buigt zich dan vlug naar het oor van de prins: "De grootste!" Zo begon koning Democratio aan zijn succesvolle regeerperiode, totdat de Crisis kwam.

Op dit moment in de tijd hebben de reducerende materialisten het heft nog stevig in handen. Zij vormen de meerderheid en hebben daarom de grootste mond en de meeste macht. Gezaghebbende wetenschappelijke bladen publiceren alleen hun onderzoeksresutaten. Meer dan 50.000 onderzoekers buigen zich over de neuronen en hun organisatie, vertelt Leonard. Daar moet toch ergens de geest uit tevoorschijn komen, zoals de schuimkopjes op de golven als ze maar hoog genoeg zijn? Nee, zeggen de spirituelen, de geest is de wind (ruach), die de golven veroorzaakt en opzweept, inclusief de schuimkopjes van het bewustzijn. Die wind zit niet in de golven.

Het is een eindeloze discussie. Deepaks standpunt versus dat van Leonard, weergegeven in afwisselende hoofdstukken. En dat, terwijl beiden afhankelijk zijn van het hetzelfde bewustzijn om überhaupt iets te kunnen denken. Op dat punt zouden wetenschap en spiritualiteit toch bij elkaar moeten kunnen komen? De wetenschapper is niets zonder zijn spiritualiteit, zijn bewustzijn, zijn creativiteit. En de spiritueel is niets zonder zijn fysieke brein. Daarom is er niet zoiets als het een 'versus' het ander. Jammer genoeg kennen we twee beelden, dat van de fundamentalist als wetenschapper (en 'dus' fanatiek atheïst) en dat van de fundamentalist als godsdienstfanaat. Die tegenstelling blijft in het boek doorklinken en verziekt de discussie.

Er is namelijk ook een middenweg mogelijk. Geest en stof zijn sinds de oerknal één substantie, zoals Spinoza het noemde. Charon noemde het psychomaterie. Kenmerkend is weer, dat Teilhard de Chardin en Charon niet in het boek voorkomen, terwijl hun stellingname fundamenteel zeer verhelderend zou kunnen zijn in deze discussie, omdat zij het hebben over een synthese van geest en stof. Geest is volgens Teilhard de binnenkant van stof, en stof is de buitenkant van geest. Uiteindelijk gaat de discussie in dit boek ook steeds weer over deze kwestie: binnenkant en buitenkant. Leonard schrijft: "Ik ben het met Deepak eens dat het fijn zou zijn als het theologische geloof het idee van God als een uiterlijke kracht, die het universum schiep en aanstuurt, zou inruilen voor een God als een innerlijke ervaring". Komt de geest voort uit de stof of is het omgekeerd: komt de stof voort uit de geest? Of is het één creatieve en levende substantie, de synthese en intensieve samenwerking van materie en spiritualiteit, al sinds de oerknal? Deepak komt het dichtst bij deze synthese. Leonard houdt zich nog te veel schuil in de loopgraven van het materialisme.

Dit boek geeft een boeiend, en soms ook irritant overzicht van de discussie, waar ook onze Stichting Teilhard de Chardin zich zo intensief mee bezighoudt. Het zou niet wetenschap versus spiritualiteit moeten zijn, maar wetenschap met spiritualiteit en religie (in de breedste zin van het woord). Beide schrijvers proberen hun gebied zo zuiver mogelijk over het voetlicht te brengen: pure wetenschap, en dus los van de psyche, en spiritualiteit zonder dogma's, kerkelijke instituties en bijgeloof. Deepak zegt tegen Leonard over de pure materialisten, die alles afmeten aan hun eigen paradigma: "Als je mensen alleen beoordeelt aan de hand van hoe goed ze kunnen biljarten, dan haalt Mozart 't niet; maar de fout zit in jouw bril". Verder verklap ik niets over de inhoud. Gewoon kopen en lezen! Goed boek! Zeer leesbaar, 350 nuttige bladzijden lang. Gerrit Teule

Rex Brico: De Odyssee van een Journalist - Een levensverhaal over pers, religie en homoseksualiteit

Uitg. Ten Have, sept. 2012, ISBN 978 90 259 0146 2, Prijs € 22,95, 375 blzz.


Rex Brico, in 1928 geboren te Amsterdam, vertelt boeiend over de sfeer van het katholicisme, waarin hij thuis werd opgevoed, over zijn activiteiten voor de katholieke Actie (KA) in de jaren 1950, zijn gymnasiumopleiding bij de jezuïeten, zijn eerste stappen op weg naar het schrijverschap (maandblad Knots), zijn studie in Wenen, zijn emigratie naar Australië, waar hij de naam van zijn moeder 'Brico' aanneemt' en staatsburger wordt; over zijn contacten met en bezoeken aan zijn beroemde Amerikaanse nicht Antonia Brico, de eerste vrouwelijke dirigent die door Eduard van Beinum zelfs werd voorgedragen voor het Concertgebouworkest en een band had met Albert Schweitzer. Hij vertelt over zijn studie aan de Musikakademie in Wenen, zijn depressies in samenhang met reacties op hem als homoseksueel, zijn mislukte zelfmoordpoging, de psychiatrische behandeling met elektroshock, waardoor hij levenslang rugpatiënt werd. We lezen hoe ons land in 1955 met 7 miljoen inwoners veel te vol was, en de staat de reis van emigranten naar Australië betaalde; hoe Brico de prestaties van de Nederlandse sporters tijdens de Olympische Spelen in 1956 te Melbourne zou verslaan, wat niet doorging omdat het IOC deze vanwege de inval van de Russen in Hongarije terugtrok. Brico vertelt hoe hij dan als journalist wordt aangenomen bij de Sydney Daily Telegraph, een krant die hem op free-lancebasis in 1959 voor reportages naar Europa zendt. Hij reist dan in het kielzog van een Braziliaans dansgezelschap, dat onder directie staat van de secretaris van Stefan Zweig, die met zijn vrouw in 1959 in Argentinië zelfmoord had gepleegd. Rex Brico belandt in Keulen en "voelt zich pas lekker tussen mensen die de grenzen van het betamelijke opzochten" (p.120); hij wordt er leraar aan de Berlitzschule, laat zich als Australisch correspondent accrediteren bij de Bundestag, het Duitse parlement in Bonn. Bij een van zijn vele kroegtochten ontmoet hij een mooie jongen, die hij voortaan James Dean zal noemen, naar de filmster. Met hem leeft hij samen en keert hij in 1960 terug naar Australië, waar hij boeiend werk vindt als verslaggever voor migranten. Als zijn vriend daar in 1964 met een vrouw gaat trouwen, besluit Rex Brico Australië te verlaten en neemt de boot naar Southhampton. Na een verblijf in Engeland waar hij enkele toneelstukken schrijft, waarvoor ook vanuit Toneelgroep Centrum bij mensen als Egbert van Paridon, Guus Hermes en Hans Roduin belangstelling bestaat, keert hij in 1967 definitief naar Nederland terug. Hij krijgt een baan bij Elsevier en neemt daar in 1971 zelfs de portefeuille 'Geestelijke stromingen' over van Michel van der Plas.

Rex Brico trof een totaal ander katholiek Nederland aan dan hij vanaf zijn jeugd gekend had. "Bij de Nederlandse katholieken waren tussen 1965 en 1971 maar liefst 25.000 priesters uit het ambt getreden en moesten kerken, bestemd voor 800 gelovigen het op zondag soms doen met 17 kerkgangers"(p. 230). Hij werpt zich op de bestudering van theologische en cultuurfilosofische boeken en weet boeiende reportages te schrijven over mensen die toen in het middelpunt van de ontwikkelingen op dit gebied stonden en die hem persoonlijk raakten. Uitvoerig lezen we over zijn ontmoetingen met Marga Klompé (hfst. 5, p. 53-58), de bisschoppen Simonis, Gijsen, Alfrink en Huibers (hfdst. 7, p. 70-83), de joodse geleerden David Flusser en Scholom ben-Chorin in Jeruzalem, en Pinchas Lapide in Frankfurt (p. 106 e.v.), de Amerikaanse theologen Rose Radford Ruether en Marcus Borg (p.111 ev.), de oprichter van de leefgemeenschap in het Franse dorp Taizé, frère Roger, en met moeder Teresa in Calcutta (hfdst. 11, p.135-159). In hoofdstuk 13 over 'godsbeelden' gaat Brico uitvoerig in op de mystiek van de karmeliet Frits Tillemans, van Bruno-Paul de Roeck, van Bruno Borchert en naar aanleiding van het boek van Hélène Nolthenius op die van Franciscus. Ook de procesfilosofie van Alfred North Whitehead en de geestelijke oefeningen van Ignatius van Loyola komen langs. Hoewel Brico zegt door velen op zijn pad geraakt te worden, is het uiteindelijk resultaat, dat zijn godsbeeld definitief wordt afgebroken. Toch blijft het zoeken naar God hem bezighouden, en het is dan ook niet verwonderlijk, dat hij zeven jaar na zijn pensionering en zeven jaar "na het afkicken van God" (p. 361) besluit om Teilhard de Chardin te gaan herlezen. Over hem had hij al cover stories geschreven in 1980 en 1986 (zie hieronder p. 06-15). Nu wijdt hij aan hem de laatste bladzijden van dit uitermate boeiende boek. HvB

 

Richard Dawkins: God als misvatting

 

uitg. Nieuw Amsterdam, 2006, ISBN -13:978-90-468-0147-5, 448 blzz.

Het syndroom van Dawkins

Henk Hogeboom van Buggenum


Dawkins stelt dat "de God-hypothese een wetenschappelijke veronderstelling over het universum is, die met evenveel scepsis moet worden onderzocht als elke hypothese"(p. 10). Hij formuleert deze God-hypothese als volgt: "Er bestaat een bovenmenselijk, bovennatuurlijk wezen dat doelbewust het universum en alles erin heeft ontworpen en geschapen"(p. 39) Daarmee distantieert hij zich van o.a. Stephan J. Gould 1. Wetenschap en religie zijn volgens Gould elkaar niet overlappende gebieden of magistera (NOMA). Dawkins daarentegen: "Een universum met een scheppende toezichthouder" zou "een heel ander soort universum zijn, een universum zonder zo'n wezen. Waarom is dat geen stof voor wetenschappers?"(p. 65)

Dawkins krijgt uiteraard veel kritiek op deze vermenging van geloof en wetenschap. Hij vertelt, dat hij op een congres in Cambridge, dat georganiseerd was met steun van de Templeton Foundation2, theologen uitdaagde om in te gaan op zijn punt "dat een God die in staat is een universum of wat dan ook te ontwerpen wel complex en statistisch onwaarschijnlijk moest zijn". Men gaf hem te kennen, dat de "wetenschappelijke argumenten...ongeschikt waren aangezien theologen altijd het standpunt hadden gehuldigd dat God zich buiten het wetenschappelijk domein bevindt"(p. 170/171). En dan schrijft Dawkins: "Ik kreeg niet de indruk dat de theologen te kwader trouw waren...Toch moest ik denken aan het commentaar van Peter Medawar op Le Phénomène Humain van priester Teilhard de Chardin, in wat misschien wel de vernietigendste boekrecensie aller tijden is: "De auteur kan alleen van onoprechtheid worden verontschuldigd op grond van het feit dat hij alvorens anderen te misleiden, zich de grootste moeite heeft getroost om zichzelf te misleiden."3

Eigenlijk is het beschamend, dat Dawkins Teilhard in dit verband opvoert. Beschamend, omdat juist Teilhard zich de grootste moeite heeft gegeven wetenschap en religie in Le Phénomène Humain (Het verschijnsel Mens) niet te vermengen. Beschamend ook, omdat mag worden verondersteld, dat Dawkins heel goed weet, dat Teilhard zich in dit werk volledig achter Darwins leer van de 'natuurlijke selectie' heeft gesteld. Voor hem, was het dus net zoals voor Dawkins een bewezen feit, dat vanaf het ontstaan van leven de evolutie via natuurlijke selectie in kleine stapjes is verlopen. Maar erger nog vind ik, dat Dawkins Teilhard opvoert tegenover theologen, terwijl hij zou moeten weten, dat Teilhard zich op grond van zijn wetenschappelijke bevindingen in ander werk wèl over de geloofskwestie heeft uitgelaten. Teilhard stelt daarbij nadrukkelijk, dat theologen maar moeten uitmaken welke consequenties zijn denken zal hebben voor het geloof, met name het christendom. Dat is gebeurd. De r-k Kerk heeft hem verboden het werk tijdens zijn leven te publiceren. Veel van zijn kritiek die ook Dawkins heeft op theologische kwesties als erfzonde en verzoening4 hebben daarbij ongetwijfeld een rol gespeeld.

Goed, laten we er even van uitgaan, dat Dawkins mening hout snijdt en dat het zinvol is om God en de religie wetenschappelijk te benaderen. Hoe komt hij dan tot zijn conclusie, dat God vrijwel zeker niet bestaat (hfdst. 4 - p.125-176) )? En ... dat "atheïst zijn iets is om trots op te zijn, omdat het vrijwel altijd duidt op een gezond zelfdenkend vermogen" (p.12), zodat "vrije geesten weinig aanmoediging nodig hebben om zich te ontworstelen aan de verdorvenheid van religie (p. 14)?

Zijn voornaamste argument is, dat statistisch gezien het ontstaan van leven uit de materie al heel erg onwaarschijnlijk is. Een entiteit (als God - HvB) die in staat is zoiets onwaarschijnlijks te ontwerpen als een Duitse pijp (Aristolochea trilobata) zou zelf nog onwaarschijnlijker zijn.... Wie ontwerpt de ontwerper? (p. 135/136). "De darwinistische evolutie neemt het stokje monter over zodra het leven er eenmaal is. Maar hoe gaat het van start? Dat vereist de expertise van een chemicus. De ID-hypothese5 postuleert een God, die bewust een wonder heeft verricht, die in de prebiotische soep zijn goddelijk vuur heeft doen ontbranden en als spectaculair hoogtepunt DNA of iets soortgelijks lanceerde."[p.153] "Het antropisch alternatief ervoor is statistisch van aard... met een bespottelijk geringe kans van één op één miljard planeten zal er op Aarde leven ontstaan. [p.154] "Een God, die in staat is om de ideale waarden te berekenen van de zes natuurconstanten 6zou minstens even onwaarschijnlijk moeten zijn als de subtiel afgestelde getallencombinatie zelf, en dat is wel héél onwaarschijnlijk - en de premisse van de hele discussie die we hier voeren" (p. 160).

Dawkins schrijft perplex te staan "van het aantal mensen dat het probleem niet inziet en echt genoegen lijkt te nemen met het argument van de goddelijke knoppendraaier... een verbijsterende blinde vlek". Klinkt dat wetenschappelijk?

De schrijver geeft voor een monist te zijn, d.w.z. te geloven "dat het verstand een manifestatie is van materie - van het materiaal waarvan de hersenen of misschien computers zijn gemaakt - en dat het denken niet los van die materie kan bestaan"(p. 196/197). Ook Teilhard de Chardin was een monist in zijn hypothese over het evolutionaire proces, en wel zó dat hij ervan uitging dat de geest zich manifesteerde in de stof en daar voor onze waarneming onverbrekelijk mee verbonden is. Zowel Dawkins als Teilhard gaat dus uit van een eenheid die zich in verscheidenheid manifesteert. Voor Dawkins telt echter slechts als werkelijkheid, datgene wat via onze instrumenten (hersenen, microscopen enz.) materieel kan worden waargenomen. Voor hem verschijnen hierin leven, bewustzijn als bij toverslag door statistisch toeval. Deze verschijnselen zijn voor hem kennelijk niet op een wijze deelbaar als in het cumulatieve proces dat we aantreffen in de ontwikkeling van levende soorten. Merkwaardig eigenlijk die redenering, want 'leven' zowel als 'bewustzijn' bestaan in dit proces toch in diverse gradaties. Teilhard de Chardin lijkt wat dat betreft veel consequenter. Voor hem zijn 'leven' en 'bewustzijn' in potentie al vanaf de big bang in een of andere graad in de materie aanwezig. Zoals bijvoorbeeld in een stamcel de potentie om zich te ontwikkelen tot een 'hartcel', een 'levercel' of een 'huidcel' aanwezig is, ook al kunnen wij die waarnemen noch meten. De matrix van onze werkelijkheid is derhalve in de visie van Teilhard de Chardin 'omnipotent'.

Een mooi woord voor deze omnipotente onzichtbare en voor ons ondeelbare werkelijkheid achter de waarneembare werkelijkheid is het woord God. God, een woord waarmee wij op grond van ons beperkte inzicht of bewustzijn in deze werkelijkheid inderdaad - zoals Dawkins ook vanuit zijn bespreking van o.a. de Bijbel uiteenzet - zoveel verschillende beelden hebben ontwikkeld. Beelden, die tijd- en cultuurgebonden zijn, omdat ze afhankelijk zijn van ons wereldbeeld, ons bewustzijn van de wereld. Vandaar ook, dat Dawkins terecht mag stellen, dat onze ethiek er was vóór onze religies, dat moraal niet vastligt en dat gelovigen zowel als atheïsten een besef hebben van 'goed' en 'kwaad' en navenant kunnen handelen. Wat belangrijker lijkt is de constatering van Teilhard, dat de evolutie van de soorten zich lijkt te bewegen in de richting van meer complexiteit en bewustzijn, gecombineerd met meer vrijheid en verantwoordelijkheid voor het gehele proces op grond van samenwerking tussen de delen. De universele, ook onafhankelijk van de godsdienst geformuleerde tien geboden, waaraan Dawkins zijn versie toevoegt (p.285), kunnen vanuit deze richting van de evolutie worden begrepen en vereenvoudigd. De mens is de drager van de evolutie, die de werkelijkheid is welke zich aan hem openbaart. God komt zo tot hem via de ander, is in die zin ook een persoonlijke God7. Ethisch is al hetgeen de ander bevordert ten gunste van het geheel van het proces. Om te weten wat dat is, vereist de inspanning van de verdieping in de ander door studie, inleving en dergelijke. Door inclusief denken.

Het syndroom van Dawkins is zijn afkeer van religie door een eenzijdige focus op de uitwassen ervan. De therapie ligt mogelijk in de ontwikkeling van het bewustzijn, dat ook alle religies deel zijn van een evolutieproces.

Noten:

  1. Stephan J. Gould Rocks of Ages: Science and Religion in the Fullness of Life, New York: Ballintin, 1999 (Ned. Vert. God en Darwin: wetenschap en religie in de volheid van het bestaan, Uitg. Contact, Amsterdam, 2000.
  2. De Templeton Foundation kent jaarlijks de Templeton Prize toe "meestal aan een wetenschapper die bereid is iets aardig over religie te vertellen" (Dawkins p. 27) "Het geldbedrag is nadrukkelijk hoger gemaakt dan de som verbonden aan de Nobelprijs" (Dawkins p. 170)
  3. In o.m.: P.B. Medawar Pluto's Republik, Oxford University Press, 1982, p. 155.
  4. Op blz. 271 schrijft Dawkins: "Ik heb het dan vooral over de centrale leer van het christendom. De leer van de 'verzoening'en 'erfzonde', de kern van de theologie van het Nieuwe Testament, is moreel bijna even stuitend als het verhaal van Abraham die zich op maakt om Isaak te barbecuen."
  5. Over de zowel wetenschappelijke als theologische afwijzing van ID = Intelligent Design vgl. Palmyre Oomen 'Intelligent Design - géén brug tussen natuurwetenschap en theologie! in GAMMA, jrg. 13 nr. 1 - mrt 2006 en mijn lezing op 28-11-2007 voor de Raad van Kerken in Hilversum in deze GAMMA en op de frontpagina van onze website.
  6. Vgl. Martin Rees Just six numbers, Weidenfeld & Nicolson, Londen 1999 (Ned. vert. Zes getallen: de krachten die het universum in stand houden, Uitg. Contact, Amsterdam 2000.
  7. Latijn: per-sonare (door ...heen klinken) 
JSN Mico is designed by JoomlaShine.com